Een vergeten element in het debat over erfbelasting
Stemmen om erfenissen zwaarder te belasten klinken steeds luider. Toch wordt er een belangrijk aspect over het hoofd gezien, schrijft Arendo Joustra.
Als het over erfbelasting gaat, lopen de emoties al snel hoog op. Van alle belastingen is deze de meest gehate, hoewel het merendeel van de erfgenamen er niets mee te maken krijgt. Daarvoor zijn de vrijstellingen te hoog. De jaarlijkse opbrengst voor de overheid valt dan ook tegen, circa 3,5 miljard euro. Dat is minder dan een procent van de totale belastinginkomsten.
De bezwaren tegen erfbelasting – die de Romeinen al kenden – zijn bekend. Je wordt gestraft voor je zuinigheid, terwijl je buurman het geld over de balk heeft gesmeten en eenmaal blut zijn hand bij de overheid ophoudt. En waarom moet de fiscus er overal en altijd een slaatje uit slaan? ‘Het enige verschil tussen dood en belastingen is, dat de dood niet elke keer erger wordt als het parlement vergadert’, aldus de Amerikaanse cabaretier Will Rogers.
Een ander bezwaar is natuurlijk het vaak gehoorde argument dat er al belasting over het vermogen is betaald via de rendementsheffing. Dus voelt het alsof je nog een tweede keer belasting moet betalen over hetzelfde geld. Het is inderdaad een gevoel, want feitelijk is het niet de erflater, maar de nabestaande die de erfbelasting afdraagt.
Door de enorme stijging van de huizenprijzen is dit argument inmiddels ook niet zo sterk meer. Deze forse waardevermeerdering is de erflater afgelopen decennia immers onbelast komen aanwaaien. Wat voor Den Haag overigens wel eens aanleiding kan worden om het eigen huis als vermogen te gaan belasten.
Het voordeel van een hogere erfbelasting is natuurlijk dat andere belastingen evenredig kunnen worden verlaagd. Maar zelfs al zou je de erfbelasting verdubbelen, zet dat onvoldoende zoden aan de dijk. De bedragen waar het om gaat, zijn domweg te klein. Het zou natuurlijk nog beter zijn, als de overheid haar eigen uitgaven zou versoberen.
In de media hoor je steeds vaker een ideologisch argument om erfenissen zwaarder te belasten. Bijvoorbeeld tegen het tarief van de inkomstenbelasting (het is voor de nabestaande immers ‘inkomen’). Dit zou de vermogensongelijkheid kunnen tegengaan. Nu valt die ongelijkheid in Nederland reuze mee, helemaal als je ook de pensioengelden meerekent. Maar over de effecten van zo’n tarief van een kleine 50 procent is onvoldoende nagedacht.
Het gevolg zal een vlucht naar het buitenland zijn of een vlucht naar voren, zodat er voor de fiscus bij overlijden niets meer te halen valt. Denk aan eerder stoppen met werken, het lekker opmaken van het kapitaal en het op een slinkse manier overhevelen naar kinderen en kleinkinderen (denk aan contant geld, dure cadeaus).
Een element dat je, voor zover ik kan nagaan, nooit hoort in de discussie over erfbelasting, is het volgende. De voorstanders van het zwaarder belasten van erfenissen doen net alsof die in een zwart gat verdwijnen en ongrijpbaar zijn. Maar dat is natuurlijk niet zo. Als de erfenis – al of niet na het betalen van erfbelasting – eenmaal op de rekening van de nabestaande is gestort, staat de fiscus verre van buitenspel.
Ga maar na. Als de erfenis op een spaarrekening wordt gestort of er worden aandelen van gekocht, moet vervolgens vermogensrendementsbelasting worden betaald. Als een huis wordt aangeschaft, moet, om te beginnen, overdrachtsbelasting worden betaald. Is het een tweede huis, dan valt dat ook onder de heffing op het vermogensrendement. Koop je een nieuwe auto, een boot of andere dure zaken, dan betaal je (nog los van de bpm bij auto’s) 21 procent btw. En blijft er dan toch later nog wat over bij overlijden, dan wordt een deel – als het vermogen hoog genoeg is – weer netjes afgeroomd door de erfbelasting.
Kortom, een erfenis blijft nooit onbelast, zelfs als er geen erfbelasting is betaald.
Elke week deelt Arendo Joustra zijn wekelijkse beschouwingen op het opinieplatform Onze Eeuw, waar hij vaste columnist is.