Anti-IDF-documentaire oogt applaus, maar toont juist voorzichtigheid Israël
Vrijdagavond. Mijn vliegtuig landt op de luchthaven van Brussel. Mijn ogen en hoofd zijn nog vol van de onbeschrijfbaar prachtige kust van Amalfi. Na enkele dagen gemoedsrust schakel ik mijn iPhone weer in. Berichten en informatie stromen binnen. ‘Tientallen studenten verstoren opening academisch jaar Universiteit van Gent’ melden unisono Vlaamse kranten. Bij nader inzien blijkt dat een tachtigtal studenten de optocht van de togati, met rector Petra De Sutter aan het hoofd, heeft uitgejouwd.
Ruim gerekend telt de UGent 50.000 studenten. Tachtig studenten, dat is 0,16 procent, dus minder dan twee tienden van één procent. Je weet ook niet of die betogers wel studenten waren. Maar hun gejouw is een nieuwsfeit. Hetzelfde gold voor de ‘pro-Palestijnse’ betogers en bezetters aan de universiteiten. Dat de verpletterende meerderheid studenten niet betoogde, was het vermelden niet waard.
Het is een les die ik in mijn 38 jaar als buitenlandjournalist voor De Standaard leerde: journalisten zijn niet waar het nieuws is; nieuws is er waar journalisten zijn, bij voorkeur met camera’s. Dat journalisten in democratische landen vrij kunnen opereren, en onder dictaturen niet of nauwelijks, leidt onvermijdelijk tot scheeftrekking van de internationale nieuwsgaring.
Die bedenking kwam onmiddellijk bij me op toen ik de vloed aan berichten op mijn iPhone las over een staande ovatie van 25 minuten op het Filmfestival van Venetië. De tachtig minuten durende documentaire NAZA van Israëlische filmmakers Yuval Abraham en Rachel Szor kreeg dat recordapplaus.
Naza is het Hebreeuws acroniem voor nezek agavi, ‘nevenschade’. Abraham en Szor spraken met 24 Israëlische (ex-)militairen en klokkenluiders uit de inlichtingendiensten. Dat gebeurde in het grootste geheim, ’s nachts, op daken van Tel Aviv. De namen van de 24 geïnterviewden zijn geheim, hun stemmen zijn vervormd om identificatie onmogelijk te maken.
De geïnterviewden leggen uit hoe het Israëlische leger, de IDF, doelwitten in Gaza identificeert en daarbij inschat hoe groot het risico is dat er burgerslachtoffers vallen. Daartoe gebruikt de IDF algoritmen die steunen op artificiële intelligentie. In de documentaire wordt betoogd dat geautomatiseerde AI-doelsystemen schuld hebben aan grote aantallen burgerslachtoffers in Gaza.
Zoals elke oorlog is ook die in Gaza een drama, dat staat buiten kijf. Maar ook buiten kijf staat dat een ‘chirurgische’ oorlog niet mogelijk is. Elke oorlog gaat gepaard met wat collateral damage heet, dat wil zeggen burgerslachtoffers.
De film is één grote aanklacht tegen het Israëlische leger. Maar wat blijkt uit dezelfde film? Dat de IDF vooraf het risico onderzoekt op burgerslachtoffers om dit te reduceren tot een aanvaardbaar niveau van mogelijke nevenschade. Dat betekent dat het leger er niet op uit is om alle Gazanen zonder onderscheid des persoons te treffen.
Dat maakt dat de oorlog, hoe tragisch ook, niet valt onder de officieel erkende juridische definitie van genocide. De Genocideconventie van 1948 heeft namelijk als voornaamste criterium dat er een bewezen vooropgezette bedoeling moet zijn om een specifieke groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Anders spreekt men van oorlogsmisdaden of misdaden tegen de menselijkheid.
De cruciale vraag is dus waarom de IDF onderzoek naar doelwitten doet. Omdat het bij uitstek tot de strategie van Hamas behoort zich te verschuilen achter en onder ziekenhuizen, scholen en alle mogelijke burgerdoeleinden. Dat de IDF zijn doelwitten opzoekt met een criterium van aanvaardbare nevenschade spreekt dus juist voor een humane manier van oorlogsvoering.