Zoons van omstreden vuchtbaarheidsarts ontmoeten elkaar voor het eerst: 'Iedere maand familie erbij'
Minister Sophie Hermans werkt aan een plan om misstanden rondom spermadonatie tegen te gaan. Jan van Buuren en Roel Moradi kunnen daarover meepraten. De twee groeiden op zonder te weten dat de omstreden vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat hun biologische vader was. Na een DNA-test ontdekten ze dat ze twee van de meer dan 120 'Karbaat-kinderen' zijn. De halfbroers ontmoeten elkaar voor het eerst in het radioprogramma WNL In de Kantine.
De twee zien veel van zichzelf in elkaar terug. Hun stemmen lijken op elkaar. Ook hun bouw is hetzelfde. En de handen. Karbaat-kinderen hebben "korte, dikke handjes, vierkante handen."
De heren waren niet gespannen voor hun ontmoeting. Ze hebben al heel wat broers en zussen ontmoet. "Want zo noemen we ze, al zijn het natuurlijk halfbroers en halfzussen", zegt Jan. "Inmiddels zijn er ruim 120 kinderen van Karbaat bekend die contact met elkaar hebben. "En elke maand komen er nog een paar bij."
Duizenden kinderen
Karbaat was een Nederlandse vruchtbaarheidsarts die vanaf de jaren zeventig vrouwen met een onvervulde kinderwens hielp via kunstmatige inseminatie. Hij richtte een eigen spermabank en vruchtbaarheidskliniek op in Barendrecht. Later bleek dat hij niet alleen sperma van donoren gebruikte, maar ook zijn eigen sperma inzette bij behandelingen, zonder dat de betrokken vrouwen daarvan op de hoogte waren. Daardoor verwekte hij naar schatting tientallen tot mogelijk duizenden kinderen.
Buitenlandse donoren vormen een risico
In Nederland gelden er inmiddels richtlijnen voor het maximale aantal kinderen per donor. Probleem is echter dat driekwart van het zaad uit het buitenland komt, vertelt universitair docent Adriejan van Veen die momenteel historisch onderzoek doet naar donorconceptie in Nederland. "Dat zijn hele grote commerciële bedrijven die per land tot de limiet gaan van het aantal kinderen per donor. Zo krijg je nog steeds grote grensoverschrijdende groepen met honderden halfbroers en halfzussen. Nederlandse donorkinderen horen daar ook bij."
Hij vervolgt: "Dat is risicovol voor de verspreiding van erfelijke ziektes. Buitenlandse donoren zijn voor donorkinderen vaak niet meer vindbaar, niet meer te traceren. Dat kan allerlei psychisch leed veroorzaken en gaat ook in tegen het internationale recht om je eigen afkomst te kennen. Dit is aan de orde van de dag. Dit gebeurt nog steeds."
De tekst gaat verder onder de X.
Minister Sophie Hermans komt met een plan om de misstanden rondom spermadonatie tegen te gaan. "Mensen moeten hulp kunnen krijgen, want psychisch doet het best wat", reageert Roel Moradi, kind van de omstreden vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat. "Het zou ook mooi zijn als ouders… pic.twitter.com/ODZnOn8Qyy
— WNL Vandaag (@WNLVandaag) July 18, 2026
Het plan van het kabinet om de misstanden te onderzoeken wat betreft donorconceptie is belangrijk, vindt Roel. "Mensen moeten hulp kunnen krijgen, want psychisch doet het best wat", adviseert hij. "Het zou ook mooi zijn als ouders gestimuleerd worden om het te vertellen. In 95 procent van de gevallen hebben ouders het voor zich gehouden."
MyHeritage-test
Roel wist niet dat hij van een donor was, totdat hij een MyHeritage-test deed om te weten of hij misschien wel deels Scandinavisch was. "Toen kwam de grote verrassing. Ik bleek pagina's vol broers en zussen te hebben. Ik belde mijn moeder en zei: 'Ik weet het.'"
Jan kreeg een foto onder ogen van meerdere Karbaat-kinderen. "Een vriendin vond dat ik zo op ze leek. Dat hoorde ik wel vaker. Nu is het logisch, want iedereen komt uit dezelfde omgeving."
Beschuldigingen
Karbaat heeft altijd ontkend dat hij zijn eigen zaad gebruikte bij de bevruchting van vrouwen. Hij weigerde mee te werken aan een DNA-onderzoek. Na zijn overlijden in 2017 kwam het bewijs er, met medewerking van zijn familie, alsnog. Daarnaast zijn er beschuldigingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en misbruik van zijn machtspositie.
Voor sommige kinderen van Karbaat is de ontdekking zwaar geweest, weet Jan. Niet iedereen wil contact zoeken met de grote groep halfbroers en halfzussen. Jan: "Er zijn mensen die er heel veel moeite mee hebben. Die in gezinssituaties terecht zijn gekomen die niet leuk zijn en daarom geen contact willen hebben. Dat is ook goed."
Zelf koestert Jan geen wrok tegen zijn biologische vader. "Ik ben helemaal niet boos op hem." Ook kijkt hij naar de context waarin Karbaat werkte. In de jaren zeventig was kunstmatige inseminatie onbespreekbaar. Er waren maar weinig mogelijkheden. "Veel mannen uit die generatie hadden de bof gehad en waren daardoor onvruchtbaar geworden. Er was veel verdriet bij mensen die geen kinderen konden krijgen."
Volgens Jan begon Karbaat vanuit een medische motivatie. "Toen hij klaar was met zijn artsopleiding, is hij naar Suriname gegaan. Daar heeft hij vrouwen geholpen met anticonceptie. Toen hij terugkwam, had hij veel kennis over vruchtbaarheid. Ik praat het niet goed. Ethisch kun je het gewoon niet verklaren."
Voor Jan vielen alle puzzelstukjes op hun plek toen hij een Karbaat-kind bleek te zijn. "Mijn ouders waren lieve mensen, maar hadden niet gestudeerd. Ik heb nooit moeite gehad met leren. Mijn dochters zijn allebei ontzettend slim. Dat moet ergens vandaan komen."
Moreel kompas
Roel ziet op zijn beurt weinig herkenning in het negatieve beeld dat rond Karbaat is ontstaan. "Als ik kijk naar hoe wij allemaal zijn, kan ik me niet voorstellen dat hij zo was."
Volgens hem hebben veel kinderen van Karbaat juist een sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel. "Als ik naar al die broers en zussen kijk, denk ik dat 95 tot 99 procent een goed moreel kompas heeft."